Een bedompte ruimte in het lelijkste gebouw van Rotterdam. De kamer is hooguit twee bij twee. Er past niet meer in dan een te grote tafel en twee stoelen. Achter de piepjonge afdelingschef van het callcenter hangt nog een plankje met daarop een rij management- en zelfhulpboeken van Ben Tiggelaar.
“Normaal gesproken zou dit je exitgesprek zijn, Daisy”, zegt de chef plechtig. Hij heeft zijn gezicht op ernstig gezet. Wat volgt, is een perfect getimede stilte die hij gebruikt om me indringend aan te kijken. Hij moet dit gesprek zo vaak gevoerd hebben dat hij het tot een kunst heeft verheven. Langzaam leunt hij achterover, want dat geeft autoriteit.
“Daisy, weet je, ik ben ook een mens. En hoewel ik geen muziek maak, zoals jij, ben ik ook gevoelig en… ik weet niet wat het is, maar ik wil je niet laten gaan.” Dan leunt hij naar me toe. Hij laat zijn hoofd wat hangen, schudt traag en vervolgt met zachte stem: “Nee. Ik wil het gewoon niet.”
Met zijn hoofd dichtbij het mijne vervolgt hij zelfverzekerd: “Daarom wil ik nú van jou weten of jij gelooft dat er een tijger in jou schuilt. Zo een die de klant grijpt en niet meer loslaat. Hands-on. No. Matter. What. Als jij mij die tijger de komende dagen kunt laten zien, mag je blijven. Wat zeg je ervan? Gaan we de uitdaging aan?”
Een tijger. Hij heeft het echt gezegd. Hmm. Nou, vooruit dan, mijn innerlijke tijger. Die moet tijdens het geestdodende werk in slaap gesukkeld zijn. Ik weet precies wat ik wil, maar desondanks zeg ik grommend dat ik mijn innerlijke tijger wakker zal schudden.
Wanneer ik grinnikend weer plaatsneem in mijn werkhokje en de headset opzet, voel ik me al bevrijd. Ik verwacht dat ik nog wel een paar dagen de tijd heb om rustig afscheid te nemen van mijn collega’s. Die tijger laat ik mooi met rust terwijl ik hier zit, want ik geloof allang niet meer in het product dat ik hoor te verkopen.
Vier dagen later zit ik, zoals verwacht, alweer tegenover hem. Hij lijkt melancholisch gestemd. “Het is dan toch zover gekomen, Daisy. Je zit momenteel niet in je kracht. Ik moet je nul-urencontract naar beneden bijstellen.” Hij pauzeert. Ik blijf stil. “Ik bedoel dat ik je moet loslaten. Laten we met een kopje koffie proosten op jouw toekomst.”
We lopen het bedompte hokje uit en staan twee meter later in de vieze kantine waar we proosten met twee te hete plastic bekertjes automatenkoffie. “Ik wens je veel succes met je carrière. Én met de muziek.” Ik beloof zeker nog eens langs te komen, want het nadeel van het niet hebben van dit soort bijbaantjes, is dat ik er ook geen liedjes over kan schrijven.
In een reeks van zes ep’s onder de noemer ‘The Europe Files’, woont Daisy steeds zo’n vijf maanden in een Europese stad waar ze optreedt en liedjes schrijft. De eerste ep getiteld ‘The Paris file’ kwam uit in 2011, waarna ‘Palermo’ (2012) en ‘Lissabon’ (2014) volgden. Op zoek naar het gevoel van vrijheid, deelt Daisy door middel van liedjes haar ervaringen tijdens het verblijf in de verschillende steden. Hoe het vertalen en de album-opnames Daisy vergaat, kun je volgen op haar website.