30 maart 2016
•
Columns
•
Redactie

Elke donderdag draait in Rotown een Rotterdamse band de plaatjes die zij tof vinden (om op te dansen!) tijdens Mixtape. Wij laten deze bands hun publiek alvast warm draaien in een speciale column. Deze editie van Mixtape zullen de leden van The Cosmic Carnival achter de draaitafels plaatsnemen. Frontman Nicolas Schuit vertelt zijn muzikale levensverhaal.
Het was het voorjaar van 2007. Gerben van Etten, Ronald de Waard en ik brachten onze dagen (en vooral ook nachten) door in het Haagse Zeeheldenkwartier, waar we net onze eerste liedjes hadden opgenomen. Een band was geboren en dus gingen we op zoek naar de ultieme bandnaam. Een queeste die ons enkele weken in haar greep zou houden en een ongetwijfeld herkenbaar fenomeen voor veel collega-muzikanten.
Met name als je lijdt aan een ziekelijke combinatie van perfectionisme, hooggevoeligheid en controle-drang en a la Mick Jagger liefst altijd, voor ieder idee, álle mogelijkheden op een rij wil hebben. ALLE mogelijkheden. Een en ander uit zich zelfs in extremen, als het aankomt op het maken van een feitelijk onomkeerbare keuze. Want de naam van de band is voor altijd, waardoor je met dezelfde druk te maken krijgt als bij het zoeken naar een naam voor een baby. Hartstikke vervelend natuurlijk als je tot de ontdekking komt dat je zoon de naam Cornelis moet dragen, terwijl je drie maanden eerder op het gemeentehuis toch echt ‘Barry’ hebt doorgegeven.
We hadden zo onze voorwaarden. Bezeten door het romantische idee van een rock ’n’ roll band en alles wat de magische jaren zestig ons had gebracht, kwamen we tot de conclusie dat het een lange bandnaam moest worden, liefst beginnend met ‘The’ en als de mogelijkheid zich zou voordoen ook nog eens voorzien van alliteratie. Dat laatste was ongetwijfeld de onvermijdelijke invloed van wijlen Willy Vandersteen, van hem heb ik uiteindelijk toch de meeste albums in de kast staan. Het moest in ieder geval zo tof gaan klinken als The Grateful Dead, Jefferson Airplane of Quicksilver Messenger Service, misschien niet geheel toevallig alledrie ‘founding fathers’ van de hippiebeweging in het San Francisco van 1967. En de mooiste van allemaal: Creedence Clearwater Revival, ook al een band uit de Bay Area scene.
Bovenal moest onze naam de spreekwoordelijke lading dekken. Wie zijn we? Waar staan we voor? Wat gaan we spelen? Die laatste vraag veranderde echter al vrij snel in: “Wat gaan we níet spelen?” Tot mijn twintigste had ik me vooral bezig gehouden met het verzamelen van muziek, resulterend in vijf rijkelijk gevulde platenkasten. Ik was ook enorm in de ban van film en sport, maar ik hield me toch vooral bezig met het luisteren naar muziek. Tijdens mijn krantenwijk, ’s avonds in bed, in de tuin in de zon. Mijn walkman en ik waren onafscheidelijk. En van alles passeerde door de jaren heen de revue, wat waarschijnlijk een verklaring is voor het uiteenlopen van mijn muzikale voorkeuren.
Als kleuter leefde ik in de veronderstelling dat er niet meer dan drie soorten muziek bestonden, mijn opties waren dus beperkt. En iedere soort muziek had zijn eigen geluidsdrager, wat ongetwijfeld verwarrend moet zijn geweest. In de woonkamer bevond zich een gigantische Ikea kast, gevuld met honderden stripboeken. Mijn vader is vermoedelijk dan ook genetisch verantwoordelijk voor mijn verzamelwoede.
Maar tussen de albums van Kuifje, Asterix, Lucky Luke en Guust Flater bevond zich ook een vierkante hoes met daarop een lachende man met bril en toeter. In die hoes zat een grote zwarte schijf en als mijn vader die schijf bovenop een zwarte toren plaatste, dan startte Glenn Miller met big band enkele tellen later zijn megahit In The Mood, uit 1940, gewoon zo in de huiskamer. Een totaal krankzinnige ervaring natuurlijk, als je net vijf bent en het komt allemaal keihard binnen. Maar dat kon mijn vader ook niet weten.
Vervolgens was er een klein, mint-groen en rechthoekig doosje. The Greatest Reggae, Vol. 2, stond er op de voorkant. Het klepje van de bijbehorende cassette-speler kon alleen dicht op het moment dat het bandje op de juiste manier in de houder zat en toen ik dit eenmaal had uitgevogeld en de play knop had ontdekt, liet ik me meevoeren op de klanken van Jimmy Cliff en Peter Tosh. Mijn favoriet was Dreadlock Holiday van 10cc. Over and over again. Het gekke is dat me niet kan herinneren dat ik om nieuwe muziek heb gevraagd, maar misschien wist ik niet beter. Ik liet me vervolgens wel verleiden door clowns en dieren en kreeg een arsenaal aan V.O.F. de Kunst, Bassie & Adriaan en Alfred. J Kwak in de maag gesplitst. Ook muziek en van een prima niveau, maar toch net even anders.
De zomers bracht ik in mijn jeugd door op Urk, waar de familie van mijn moeders kant vandaan komt. Opa zong in een van de befaamde Urker mannenkoren en een aantal van die mannenkoren zaten verpakt in een plat vierkant doosje met daarin een zilveren schijfje. Als zo’n schijfje in een zwarte lade op het dressoir verdween, kwam plots opa’s stem uit de speakers. De compact-disc- of kortweg cd-speler, die niet alleen in de woonkamer stond, maar zelfs ín de auto van opa en oma zat. Op een avond werd ik, tijdens een lange rit naar huis, geconfronteerd met een heel ander soort koor, veel kleiner ook. Ingeklemd op de achterbank tussen mijn oom en tante, maakten mijn oren kennis met het stemgeluid van vier lachende, donkere mannen. De gospel van The Golden Gate Quartet.
Ze konden me iedere zondag in de kerk van alles wijs proberen te maken, hier kon geen blanke dominee tegenop. Wat een soul, wat een power, wat een ritme en wat een muzikaliteit! En dat met niet meer dan een paar stemmen, slechts af en toe op de achtergrond aangevuld met een bescheiden, doch explosieve ritmesectie. Lieve goedheid, wat krijgen we nu? Hier ging ik hard op, keihard. Yes! I believe! En om ook de aardse grootsheid van deze groep te duiden: The Golden Gate Quartet bestaat nog steeds en is van alle artiesten het langst actief in de muziek-industrie. Met The Preacher & The Bear uit 1937 (!) zijn ze tevens grondlegger van de rap-muziek. True story. Horen is geloven.
Toen ik acht was kreeg ik mijn eerste eigen stereo-toren, zo’n typisch jaren tachtig apparaat, waar alles op en aan zat. Mijn vader werkte bij de Rotterdamse politie en hij had zich ernstig voorgenomen om zijn oudste zoon ver weg te houden van sex, drugs & rock ’n’ roll. Toch kon hij het niet laten om op een goede dag enkele lp’s van zolder te halen. Zogenaamd om te laten zien hoe vinyl precies werkt, maar stiekem toch ook eigenlijk om als stoere papa zoonlief wat muzikale opvoeding bij te brengen. Indruk maakte het zeker. Ik kreeg Led Zeppelin I, Black Sabbath IV, Hotel California van The Eagles, Queen’s Greatest Hits en Deep Purple’s Made In Japan. Hallo Bohemian Rhapsody. Hallo Child In Time. Ik draaide ze letterlijk grijs en bestudeerde tegelijkertijd de albumhoezen van a tot z.
Het was echter house-muziek die de vroege jaren negentig domineerde en ik vond het stiekem best interessant. DJ Paul Elstak, Charly Lownoise & Mental Theo, The Party Animals en ga zo maar door, de halve klas stond te gabberen op het schoolplein. Bij Thunderdome haakte ik enigszins af, maargoed… Ik was negen. Volwassenen namen het hele gebeuren waarschijnlijk met een korreltje zout (of met een pilletje xtc), maar voor ons was het geweldig stoere muziek. Mijn beste vriend Laurens en ik begonnen de Top 40 te volgen. Er was nog geen internet en radio had een enorme impact. Wie staat er deze week op nummer 1? Is het nog steeds Captain Jack? Of stoot Marco Borsato die malle vent naar de tweede plaats? We luisterden werkelijk alles en maakten zonder het goed te beseffen kennis met allerlei genres binnen de popmuziek en leerden tegelijkertijd ‘liedjes’ waarderen. Wat goed was, was goed. En het meeste vonden we eigenlijk vrij goed, ook al liep het natuurlijk op krankzinnige wijze uiteen. Het was een hitlijst en iedereen kon een hit scoren, van Andre Rieu tot Underworld.
Op televisie waren videoclips big business en je moest als 10-jarig knaapje sterk in je schoenen staan om niet compleet omver te worden geblazen door 2pac’s California Love. Ik kocht mijn allereerste singletje, Luniz – I Got Five On It en begon met het maken van mixtapes met de allervetste hip-hop, destijds nog gewoon ‘rap’. Om vervolgens met een dikke gettoblaster op de klanken van Snoop Dogg de blits te maken op het lokale basketbal veldje. Nee, niet in The Bronx, maar gewoon in het oerdegelijke en doodsaaie Slikkerveer. Voor toevallige voorbij-fietsende meisjes.
Laurens had vier broers en twee daarvan speelden in een band. Ze hadden thuis in een van de slaapkamers een piepkleine oefenruimte gebouwd en die helemaal geïsoleerd met schuimrubber. De kamer hing vol posters van bands als Guns ’N’ Roses en Iron Maiden en die gasten zagen er zelf precies uit als hun voorbeelden aan de muur: lang haar, jeans, kisten en een ‘don’t fuck with me’ attitude. Zo kon het bestaan dat er midden in een vrij gereformeerde, rustige wijk in Ridderkerk, minstens vier maal per week een snoeiharde metalband haar repetities hield.
Ondertussen zat ik zelf net in een Celine Dion fase en luisterde Laurens zo’n vijftien keer per dag naar Children van Robert Miles. We begrepen in eerste instantie niet goed waarom, maar werden meer en meer bespot en weggehoond door zijn metal-liefhebbende broers. Het ging echt goed fout op het moment dat een van ons, het zal nooit opgehelderd worden wie het was, een singletje van Boyzone aanschafte. Geld neerleggen voor een dergelijk product, ook al is het eigenlijk een liedje van Cat Stevens, dat ging blijkbaar een brug te ver.
Men dreigde onze hoofdjes in de wc-pot te dompelen bij een eerstvolgende soortgelijke aankoop en die dreigementen misten hun uitwerking niet. Diezelfde week kocht ik bij de Expo een poster van Iron Maiden, zonder ooit een nummer van die band te hebben gehoord. Maar ze zagen er stoer uit, hadden lang haar en een van die gasten droeg een shirt met daarop een vrouw met ontblote borsten. Nadat mijn moeder die vakkundig met viltstift van een bh had voorzien, mocht ie aan de muur. Rock ’n’ roll. Eureka. We snapten het. We voelden het.
Met het geld dat we verdienden met onze krantenwijk begonnen we cd’s te kopen. Heel veel cd’s. Het was 1996, Oasis en Alanis Morissette braken door en Metallica bracht na vijf jaar weer eens een plaat uit. Op de middelbare school begon ik lijstjes te maken. Beste punksongs, favoriete gitaristen, mooiste hoezen, maar toch met name het steeds weer opnieuw rangschikken van de albums van Metallica. Ride The Lightning? Of toch Master Of Puppets op 1? Het afzetten tegen de heersende popcultuur gaf een nieuwe dimensie aan het luisteren naar muziek.
In de zomer van 1999, ik was nog veertien, bezocht ik mijn eerste festival. Rock Werchter, bij onze zuiderburen. Het draaide die dag om slechts één ding: het afsluitende Metallica. Mijn toenmalige schoonvader hield een oogje in het zeil en na enig tegenstribbelen stond hij toe dat we de pit in gingen. Creeping Death. Live. In your face. Een zomer later mochten Laurens en ik voor het eerst alleen en bezochten we de laatste editie van het legendarische Dynamo Open Air, waar Iron Maiden en Korn optraden. Helemaal kletsnat, maar met allebei een half drumstokje, keerden we voldaan huiswaarts.
We bleven de hitlijsten volgen, maar eigenlijk voldeden op een gegeven moment alleen Iron Maiden en Metallica nog aan onze muzikale normen en waarden en dacht ik op mijn vijftiende zelfs met enige zekerheid te kunnen stellen dat Iron Maiden de allergrootste band aller tijden was. Mijn moeder was het niet helemaal eens met mijn ‘goddeloze’ smaak en probeerde me met The Eagles en Creedence Clearwater Revival weer in het reine te brengen. Dat laatste ging er bij mij (nog) niet in, maar toen The Eagles in 2001 langskwamen maakte ik toch graag een uitzondering en betaalde ik als ‘metalhead’ met liefde 200 gulden om in het grote Ahoy van dichtbij mijn folkhelden te kunnen aanschouwen. Ik werd beloond met een drumstokje van Don Henley, een plectrum van Glenn Frey en een onvergetelijk optreden.
Inmiddels had internet haar intrede gedaan en dus begonnen we massaal te downloaden met zijn allen. Het voelde natuurlijk totaal niet goed, maar aan de andere kant gaven we zodra we iets te besteden hadden ons geld meteen uit aan cd’s en lp’s en dit veranderde niet toen we muziek gratis konden downloaden. We gebruikten internet vooral om nieuwe muziek te ontdekken, waarna we het alsnog fysiek in de winkel kochten als het in de smaak viel. Externe harde schijven werden aangeschaft om de immer uitdijende database te kunnen opslaan, alles werd keurig gerangschikt op naam en per genre. Ten minste, dat probeerde ik. Net op het moment dat ik dacht alles wel te weten, kwam het complete oeuvre van Bruce Springsteen mijn ziel binnendenderen.
De aanslagen in New York City hadden The Boss geïnspireerd tot het schrijven van The Rising, een eerbetoon aan de slachtoffers die de bizarre dag in september niet hadden overleefd. Toen ik na een avondje bier drinken de woonkamer binnenstapte, keek mijn moeder toevallig naar de MTV Music Awards. Er werd live geschakeld naar een arena in Barcelona, waar Springsteen enkele nummers van die plaat ten gehore bracht. Het was meteen raak. Bam. Compleet verbaasd vroeg ik mijn moeder waar ik naar keek. ‘Bruce Springsteen’. Ik was stil en luisterde aandachtig. Dit was dus die gast van Born In The USA, wat ik tot dan toe als een beetje foute, patriottistische kitsch beschouwde. De tekst had ik nooit bestudeerd. Even later zag ik hem live, in De Kuip. Beter wordt het niet.
In 2005 veranderde alles, voor altijd en The Coen Brothers en Jeff Bridges zijn hoofdverantwoordelijk. Ik zag het geweldige The Big Lebowski en werd tijdens die film gegrepen door iets dat helemaal anders was. Het klonk bezwerend, mysterieus, stoer, sexy, rauw en toch ook gewoon rock ’n’ roll. De aftiteling gaf het bevrijdende antwoord en ja, daar stond het: Creedence Clearwater Revival – Run Through The Jungle. Had mijn moeder dan toch gelijk? Via internet ontdekte ik vervolgens de rijkdom van de jaren zestig en op wikipedia las ik dat CCR op een of ander legendarisch festival had gespeeld: Woodstock. Ik wilde er alles van weten en kocht de concertfilm op dvd, die inmiddels de videoband had vervangen. Dit was het helemaal. The Band, The Grateful Dead, Richie Havens, Joe Cocker, The Who… ineens had ik er een heleboel helden bij.
Dit wilde ik ook. Een topsportcarriere zat er niet meer in, de Spaanse golven van de Costa Blanca hadden mijn rug dusdanig bewerkt dat ik een professionele basketbal-loopbaan uit mijn hoofd kon zetten. Mijn moeder speelde akoestisch gitaar, maar nooit eerder had ik de drang gehad het zelf te proberen. Dit was het moment. In korte tijd leerde ik mezelf de akkoorden aan de hand van een A4tje met de juiste grepen. En ook hier schoot internet vervolgens weer te hulp, het leek wel alsof je ieder liedje ooit geschreven online kon vinden. Alles waar ik ooit naar had geluisterd, ging ik nu zelf spelen. Van The Golden Gate Quartet tot The Eagles en van Metallica tot Bruce Springsteen.
2007, Den Haag. In Gerben en Ronald had ik twee gelijkgestemde zielen gevonden. “Dus… Wat voor muziek gaan we maken?” Ik kon die vraag niet beantwoorden, maar wist in ieder geval zeker dat eigenlijk geen nummer hetzelfde mocht klinken. We wilden niet in hokjes denken, van alles uitproberen, maar tegelijkertijd wel gewoon liedjes maken. Muziek moet entertainen, ontroeren, energie opwekken of de luisteraar meenemen in bepaalde sfeer. Wij wilden het allemaal en ons niet conformeren aan een bepaalde stijl of genre. The Cosmic Carnival. Willy Vandersteen zou trots zijn geweest.En donderdag gaan we gewoon dansen hoor. Keihard dansen. Op alles.
Nicolas Schuit
Extra informatie
Datum: donderdag 31 maart
Locatie: Rotown, Nieuwe Binnenweg 17-19
Aanvang: 23.00 uur
Entree: gratis
Facebookevent
Komende edities van Mixtape
07 april – Mixtape: Book of Eli
14 april – Mixtape: Kalulu
28 april – Mixtape: De Dood