Al vanaf de Koopgoot, drie passen buiten Metrostation Beurs, werd ik verwelkomt door Motel Mozaïque. Een brei aan geluid weergalmde in de uitgestrekte loopgraaf, met aan diens weerszijden winkelruiten van hippe en fris gekleurde etalages. Kan dit tegenwoordig nog in de binnenstad? De klank van venijnig gitaargeweld in de open lucht van het Rotterdamse stadscentrum?
Twee nette meisjes met ieder een tas om hun frêle gestrekte bovenarmpjes, vroegen zich dit hardop af. Een groep huismoeders klopten elkaar tijdens het beklimmen van de trap richting de Lijnbaan bemoedigend op de rug. ‘Wat staat het hard hè?’ Ik had spijt dat ik geen derde blikje bier in mijn jas had kunnen proppen. De keuze om deze leeg te kunnen gieten in hun kraag of mijn keelgat had ik mij graag voorgenomen.
Want jawel, een paar dagen per jaar mogen ook rockers in Rotterdam eens feest vieren. Het is moeilijk voor te stellen dat er tussen al die urban, hip-hop en oh-wat-doet-mijn-hartje-zeer singer/songwriter podia nog weleens sprake mag zijn van vuige punkrock. Nog minder is het voor te stellen dat Rotterdam nog niet zo heel lang geleden als een rockstad gedefinieerd kon worden.
Sinds de invasie van de Duitsers heeft Rotterdam op cultureel vlak niet zoveel meer geleden, dan sinds de afgelopen jaren waarin legioenen post-pubers zich op podia verzamelden om gezamenlijk (en zonder het minste graantje zelfspot) uit te huilen in brave woordjes. Daarbij wordt er ook nog weleens geleden aan een Messiascomplex, want geen verdriet is zo treurig als dat van de ik-persoon, geen vader is zo wreed als die van hen, maar gelukkig zijn we allemaal kinderen onder God. En ondanks alle slaanwedstrijden, echtscheidingen en zelfkastijding heeft Hij toch het beste met ons voor.
Tsja, nou, tijdens Motel Mozaïque ging ik naar De Dood. En zij hebben een veel betere bandnaam. Met openingschanson Hondenuitslaatservice: Waffen SS werd de toon gezet (wat toch veel beter klinkt dan Dank U Voor Deze Nieuwe Morgen). Het volgende half uur op het Schouwburgplein was er een vol met uitbundigheid en spelplezier voor jong tot oud. Voor de kinderen speelden de heren Speeltuinen & Vinexwijken, voor de ouderen Leuk hè, zo’n strandwandeling en Dopa (‘grootvader aan de drugs / we noemen hem Dopa / dat is een combinatie van / de woorden dope en opa’). Energiek en vol overtuiging raasde De Dood tijdens deze middag door hun set, waarvoor een half uur eigenlijk veels te kort is.
Bassist Joost Broeren deed zijn Scott Ian dansjes, drummer Tim van Dorp hield de formule onbuigzaam in het gareel en zanger Vincent Niks brulde als een aap. Er werd bier gegeven, bier gegooid, er werden tepels gelikt en er ontstond een kleine moshpit. Geen concessies, geen braafdoenerij, De Dood speelde tijdens Motel Mozaïque uit het hart en voor een publiek dat er zichtbaar van genoot. Met als toetje dat er tijdens deze gig ook nog eens gratis exemplaren van De Titelloze Eerste het publiek in werden ingesmeten, kan het gewoon niet anders dan dat er hier vanmiddag zieltjes gewonnen zijn.
Kortom was dit optreden een uitstekende opening voor een zaterdagmiddag. Vandaag was ook ik eens welkom in mijn geboortestad. Vandaag mocht ik ook eens buitenspelen. Hoera, het was leuk, en na afloop speelden er kinderen tussen lege en vertrapte bekertjes bier op het plein. Een statement richting de brave maatschappij anno nu; de punkrock van De Dood staat gegarandeerd voor een geslaagd dagje uit voor het hele gezin.
Robbert Meijntjes
Rotterdammer Robbert Meijntjes (1986) heeft in 2012 Frontaal opgericht. Van een hecht clubje jonge schrijvers uitgegroeid tot een gesubsidieerd schrijverspodium met sinds 2015 iedere maand vijf jonge aanstormende schrijvers en één Grote Gast op het programma. Hiernaast is Robbert betrokken bij evenementen zoals Woordnacht en Kill Your Darlings en publiceerde in o.a. Trouw, Metro en Stadslog Rotterdam. Regelmatig draagt hij voor op podia als Woorden Worden Zinnen, Notes of a Dirty Old Man en Where The Wild Things Are. Momenteel werkt hij hard aan zijn debuutroman. Het einddoel: de kost kunnen verdienen met het full-time schrijven. Al is het maar in een donkere tweekamerflat, in een afgelegen hoek van de stad, net boven de vuilnisbakken. Foto: Purdey van Dijke

