4 mei 2026
•
Columns
•
Quincy Fortes
Het zal geen enkele concert- en/of festivalganger ontgaan zijn dat de grootste stoorzender vaak het mede-publiek is. Mensen die zich belangrijk genoeg voelen om plaats te nemen in een ervaring die voor velen in de zaal heel persoonlijk en emotioneel is, om er vervolgens ongegeneerd doorheen te tetteren alsof het een bruin café aan de haven is. Ondanks de groeiende discussie rondom dit problematische gedrag, zie ik het niet per se afnemen. Of althans, dat zag ik niet—tot afgelopen weekend. Want daar kwam ik in aanraking met de flinteringen van een tegengeluid.

Al minstens drie jaar lang slaan mijn partner en ik onszelf voor het hoofd als midden april weer verstreken is. We zien dan de line-up van het Tilburgse festival Roadburn, slaken allicht een kleine kreet van enthousiasme en kopen vervolgens alsnog geen kaartje. Waarom? Dat kunnen we ons allebei niet meer voor de geest halen. Wel durf ik te wedden dat de angst voor constant geklets er een rol in heeft gespeeld. Dit jaar lieten we ons eindelijk niet meer uit het veld slaan en kochten we een tweedaags ticket. Nu het weekend alweer achter de rug is en de brakheid mijn hersenpan heeft verlaten, kan ik met een gerust hart zeggen dat Roadburn mijn favoriete festivalervaring ooit is geweest.
Binnen vrijwel alle geboekte acts staat emotie centraal, gehuld in een goede dosis muzikale dynamiek. Deze emotie straalt sprankelend af op de mensen in het publiek. Het diverse publiek had allemaal dezelfde tranen op de wangen bij de prachtige muziek van bands als Planning for Burial, Oathbreaker en Agriculture. Bij die laatste ontstond er een bepaalde lading hoop in mij voor een toekomstige genezing van die hardnekkige ‘Dutch Disease’.
De lichten in de zaal gingen uit, de muziek over de PA viel stil en ieders ogen waren enkel en alleen gefixeerd op de illustratie achter het nog lege podium. De gesprekken die tijdens het wachten plaatsvonden, doofden snel uit, en waar normaal gesproken nog een deel daarvan blijft bestaan, werd dit al snel letterlijk en figuurlijk gesust. Net als het praten werkte het sussen aanstekelijk en verspreidde het zich in rap tempo door de volgepakte Main Stage. Zo bleven we allemaal minutenlang in stilte staan. Richting de vier minuten begonnen enkelen zich ongemakkelijk te voelen en klonk hier en daar een grapje of het doodvermoeiende ‘speleeeeeen’ alweer door de zaal. Dit was het moment waarop de band opkwam.
Hier viel mij niet alleen op dat er duidelijk genoeg mensen in die zaal waren die ook ongestoord wilden genieten van de stilte, maar ook dat mensen schijnbaar zeer slecht tegen stilte kunnen—iets wat ik door de jaren heen uit meerdere monden heb gehoord. Waarom legde ik dit verband niet eerder? Het komt dus niet alleen door het egocentrisme dat steeds meer terrein wint onder mensen, maar ook door een aversie tegen het ‘niets’.
Naast dat Roadburn na dit weekend mijn favoriete festival is geworden (en ik nu al mijn weekend na Pasen volgend jaar in mijn agenda blokkeer), heb ik ook een nieuwe dosis hoop gevonden voor een gezonde toekomst in het concertleven. De eerstvolgende keer dat je in een publiek staat en je je alweer dood ergert aan irritante kletsmajoren: wees niet bang om zelf je mond open te trekken en die te gebruiken voor een positief doeleinde. Een snelle ‘ssst’ kan heel wat losmaken bij je medeconcertgangers, die je waarschijnlijk zullen bijstaan in dit sissende protest. Wees niet bang om onderdeel te worden van deze stilte-tegenbeweging.