13 februari 2014
•
Columns
•
Duende Ariza Lora
Toen ik op mijn elfde begon met in bandjes te spelen, deed ik dat bij de Popcentrale te Dordrecht, in het Energiehuis, nog ver voordat het gebouw werd omgetoverd tot het nieuwe Bibelot en indrukwekkende gebouw dat het nu is.
Het waren voornamelijk hobby/cover bandjes, van alle leeftijden, die in de oefenruimtes stonden te spelen. Maar hier en daar durfde mensen toch eigen liedjes te schrijven en te spelen op de altijd, door ouders/familie en vrienden, druk bezochte voorspeelavonden. Ik werd er daar één van, ik wilde mijn eigen muziek maken. Ik wilde geen Ironic, Whole Lotta Rosie of Under The Bridge van de Peppers meer spelen.
Tegen de tijd dat ik 13/14 jaar oud werd had ik inmiddels een flink repertoire geschreven, een album vol liedjes, maar helaas nog geen band om het mee te spelen. Gedurende die jaren zat ik daar in verscheidene bandjes met elke keer andere leden, behalve de drummer. Die bleef me om één of andere gekke reden volgen en zat elke keer weer, per stom toeval, in de band waar ik ook in kwam te zitten.
Deze jongen, waarvan ik twee jaar lang eigenlijk dacht dat hij alleen naar hip-hop luisterde en waar ik nooit echt mee praatte, was, zoals je misschien al raadt, inderdaad Victor Brandt. Mijn wederhelft, partner in crime en drummer in Death Letters. Na twee en een half jaar in bandjes te hebben gezeten waar ik, op de drie optredens in het jaar na, eigenlijk nooit echt van genoot, had ik eindelijk het lef gevonden om een drummer te vragen en samen onze eigen band te beginnen. En zo begon Death Letters.
Deze column is een hommage aan de (Rotterdamse/Dordrechtse) muziekscene van die tijd. Het was een inspiratiebron en interessant milieu om als ontzettend jong gastje en beginnend muzikant in op te groeien en een band te starten die tot op de dag van vandaag centraal staat in mijn leven en waar ik vele dingen aan te danken heb, waaronder deze columns mogen schrijven.
Oprechte emotie in muziek, de manier hoe muziek gebracht wordt en de intensiteit daarvan, in wat voor muziek dan ook, is heel erg belangrijk voor mij en dat besefte ik me al heel erg jong. Toen Death Letters begon waren bands als Face Tomorrow, San Andreas, The Apers en zelfs een band als BlueFish op een nieuwe en bijzondere manier erg belangrijk voor mij en keek ik tegen ze op. De hoge emotionaliteit in Face Tomorrow’s muziek, maar toch met dat punky randje en de keiharde nummers van San Andreas (ik dacht: “ik wil ook zo kunnen schreeuwen!”), ik vond het helemaal geweldig.
Deze bands hadden het toen in mijn ogen al helemaal gemaakt, want ja, ze speelden in het buitenland! Ik droomde er toen al van om te touren, dat was het allermooiste wat je als band/muzikant kon doen. En hoe vet zou het zijn om met zulke bands en die gasten te touren! Vervolgens, een paar jaar later, tourde ik dus met Death Letters door Duitsland samen met Face Tomorrow, zijn het maten van me geworden en is de zanger van San Andreas onze tourmanager voor de aankomende Duitse headline-tour.
En dit is precies wat ik er toen misschien wel het allermooist aan vond, dat iedereen dankzij muziek verbonden was met elkaar, op wat voor manier dan ook. Door sommige bandleden die elkaar persoonlijk kenden of gewoon van met elkaar te hebben gespeeld in één of ander kraakpand. Een traditie waar Death Letters ook twee jaar lang graag aan heeft meegedaan. Een soort van scene, hoe klein dan ook, waar ik nog steeds soms aan terugdenk en waarvan ik graag denk dat Death Letters, samen met de bands die ik hiervoor noemde, daar ook een onderdeel van werd. Een ‘plek’ die heel belangrijk is geweest in het vormen van mijn pad naar in bands spelen en het professioneel muzikant zijn, al klinkt dat nog steeds raar om zo te zeggen.
Het ging er alleen maar over dat de muziek vet moest zijn, iets wat ik nu soms heel erg mis bij beginnende bands. Het gaat nu bij zo veel jonge bands bijna alleen maar over hoe je op de radio moet en kunt komen en je muziek zo aanpast dat het veilig genoeg is om te ‘passen’ in de huidige radio playlist. Of wat de gekste stunt is die je kan doen op het podium of wie de leukste gimmick kan verzinnen, op een wanhopige manier om media aandacht te krijgen. Je differentiëren als band is in principe een goed ding, maar als je dat moet doen met ook maar iets anders dan je muziek en je kunst, dan heb je de verkeerde prioriteiten en is de muziek simpelweg niet sterk genoeg. Muziek staat vaak helaas niet meer op de eerste plaats.
Dus daarom ben ik erg blij en trots dat ik in deze ‘music only’ omgeving begon met bandjes en muzikant te zijn. En dat dingen zoals radio of social media helemaal niet van belang waren, hoogstens secundair. En dat ik met deze gasten, waar ik op mijn 14e tegen opkeek, nog steeds niet uitgepraat kan raken over welke muziek vet is. Want dat is waar het echt om draait en daarom mijn eerbetoon aan die tijd en die kleine scene.
Duende Ariza Lora
Duende Ariza Lora (22) is componist, muzikant, dichter, producer en zanger, vooral bekend van de band Death Letters. Met deze band is hij vanaf zijn 15e al actief en tourde hij in heel Europa en de Verenigde Staten. Achtereenvolgens bracht hij de albums The Death Letters en Post-Historic uit. In februari 2013 verscheen hun derde album Common Prayers. Zelfs in de bekendere UK-magazines werd zijn werk met dit rockduo alom bejubeld. Alle releases van Duende komen uit op zijn eigen Silent Voice Records – in 2014 zal hij via dit label ook een aantal solo-projecten uitbrengen.
Tevens stond hij op het podium met andere bands, zoals My Corduroy Life, S As In Assassins en zijn eigen project Back To Grey. Duende is naast een groot muziekliefhebber (vinyl!) op jonge leeftijd al geïnteresseerd geraakt in Spaanse poëzie en filosofie.