Dat het over hiphop gaat en dat tante Nel of buurman Barend dan “yo, yo, yo” roept en daar handgebaren bij maakt. Vroeger had ik me daar boos om gemaakt. Ik had ze verteld wat hiphop voor me betekent en dat het beeld dat zij ervan hebben niet klopt. Ik doe dat niet meer, merk ik. Ik heb het opgegeven. Uit vermoeidheid misschien, of omdat ik voel dat mijn betoog het verschil niet kan maken.
Hiphop zelf werkt me tegen ook, zo voelt het soms. Veel moderne hiphophitjes – vooral die van Nederlandse bodem – zijn dansbaar, maar hebben tekstueel weinig om het lijf. Maakt dat het slechte nummers? Niet per definitie. Complete volksstammen gaan erop uit hun dak en ook dat is een belangrijke functie van hiphop – of van muziek in het algemeen. Maar dat wat mij ooit raakte in hiphop is dat de stem méér is dan alleen een instrument. Meer dan enkel een snik of een mooie uithaal en zeker meer dan een ongeïnspireerd rijmpje. Een goede rapper – vind ik – heeft wat te vertellen, kan verhalen gelaagd vormgeven en kan spelen met taal; opdat zijn teksten tijdloos en niet inwisselbaar zijn.
Natuurlijk zijn die rappers er; nog steeds. Jonwayne, bijvoorbeeld. Of Loyle Carner; twee gasten van nog geen 30 die me de afgelopen jaren wisten te ontroeren met hun werk. De teksten één op één vanuit de bron, de rappers zelf, rauw maar gestileerd. Door deze jongens voel ik me vertegenwoordigd, maar tante Nel en buurman Barend gaan niet van ze horen. Dit zijn geen jongens voor het grote publiek. Ze winnen geen Grammy’s en worden niet besproken in DWDD of in de grote kranten. Het is muziek voor de liefhebber; besluiten redacties. Soms vraagt tante Nel me wanneer ik nou eens word gevraagd voor Expeditie Robinson. “Daar zat laatst toch ook een rapper in? Die was zo lekker brutaal.”
Gelukkig gloort er hoop aan de horizon. Een maandje geleden sjokten mijn vrouw en ik met de mensenmassa mee van station Bijlmer Arena naar het enorme Ziggo Dome. Om ons heen liepen jonge gasten met opgerolde broekspijpen en oude hiphopheads harmonieus naast elkaar. Op het affiche: Kendrick Lamar. De gepsrekken die ik opving gingen over de visuals op de live-beelden die men op YouTube had bekeken, of over de setlist van de show in Keulen daags ervoor. Een jonge jongen vertelde zijn vrienden over een onderzoek dat literatuurwetenschappers naar de teksten op Kendricks laatste album DAMN hadden gedaan; over de metaforen, de perspectieven, de thematiek en de verwijzingen.
Nooit eerder had ik, festivals daargelaten, € 80,- neergeteld voor een entreeticket. Dit soort megalomane Mojo-avonden zijn doorgaans ook iets te massaal naar mijn smaak. Vaak haalt een artiest voor zulks allerhande malle fratsen uit de kast om de show voor een groot publiek interessant te maken. Geef mij maar een intiem zaaltje waar je de artiest in de ogen kunt kijken. Om de intimiteit in deze Bijlmerse turbotoko te waarborgen moet je lef hebben én van goeden huize komen. Kendrick komt dat. Het lef om voor een sobere performance te kiezen en zijn vurige delivery en teksten het werk te laten doen onderscheidt hem van veel collega’s. “Wie hier bij was, zal dit nooit vergeten. Kendrick Lamar tilde zonder ook maar een enkel hiphop-cliché het genre eigenhandig naar een hoger plan”, schreef Gijsbert Kamer de volgende dag terecht in de Volkskrant.
Buurman Barend had iets gelezen over Kendricks optreden bij de Grammy’s van dit jaar, al wist hij niet precies meer wat. De rapper uit Compton stal er de show met een tot in de puntjes uitgewerkte mix van entertainment en kunst en deinst er niet voor terug om daarmee een maatschappelijk statement te maken. Hier is een schrijver aan het werk die niet tevreden is met twee rijmende zinnen. Nergens wordt zijn werk voorspelbaar: hij experimenteert met perspectieven en zoekt de grenzen op qua stemgebruik. “A rapper with a ghost writer; what the fuck happend?” rapt hij in zijn hit King Kunta. Kendrick is een ambachtsman. Dít moet de standaard zijn, geeft hij aan. Daar ben ik hem dankbaar voor. Aan Expeditie Robinson zie ik hem – godzijdank – niet meedoen, maar er staat eindelijk weer eens iemand in de spotlights die laat zien hoe het óók kan.
Marco Martens schildert met woorden, ruw en zonder opsmuk. Samen met muzikanten Michiel van Iersel en Joris Sedee maakt hij een mix van rap, spoken word en theaterliedjes. Het drietal bracht de albums Ieder Huis Is Uit Vertrekken Gebouwd en Morgen Zal Ik Thuis Zijn uit en speelde op festivals als De Parade, IFFR, Geen Daden Maar Woorden en de Zwarte Cross.