Tributebands zijn populairder dan ooit en lijken steeds vaker een vaste plek op concertagenda’s te veroveren. Maar wat betekent die groeiende vraag naar bekende muziek voor nieuw en lokaal talent dat juist probeert een eigen geluid te laten horen? In zijn nieuwste column vraagt Quincy zich af of de balans tussen commercieel succes en artistieke vernieuwing langzaam aan het verschuiven is. En waarom grassroots-podia juist nu belangrijker zijn dan ooit!
Wie diep genoeg kijkt in het alsmaar breder wordende muzikale landschap, zal niet snel tot de conclusie komen dat er maar weinig te zien/beluisteren is. Integendeel; we leven in een tijd van overvloed en overconsumptie, zowel binnen als buiten dit wereldje. Concertagenda’s staan tot in de kleinste steden vol met ‘’van alles en nog wat’, maar sinds een jaar begin ik een trend te zien, namelijk: tributebands (Ja, je leest het goed).
Waar deze term voorheen het beeld opriep van een groep ietwat oudere mensen met een nostalgiecomplex in stoffige cafés alom, lijkt nu iedere leeftijdscategorie een stukje van deze matig verdeelde taart te willen afsnijden met liedjes die je toch al honderden keren gehoord hebt. Nou is er in principe helemaal niets mis met dit soort liveacts. Zolang iedereen er plezier uit haalt, is het naar mijn mening allemaal prima. Er zijn zat mensen die houden van bands die live simpelweg te duur geworden zijn, of al enige tijd in de kist liggen, wat dit soort acts een goed alternatief maakt.
Waar ik stiekem ’s nachts van wakker lig, is de angst dat er van deze slecht verdeelde muzikale taart nauwelijks nog kruimels over zullen blijven voor lokaal talent om van te eten, althans, als deze trein der trend zo door blijft rijden. Venues kijken namelijk al vrij lang naar leger lopende portefeuilles en soms ook zalen. Als een band of artiest zo ontzettend populair is dat er mensen zijn die hun werk naar hun eigen lokale podia willen halen, is dat voor venues natuurlijk een gouden ticket tot succesvolle avonden.
Ondanks de waarschijnlijke afhankelijkheid die door het huidige economisch/politieke klimaat genoodzaakt lijkt te zijn tussen dit soort acts en venues, stoor ik me er toch aan. Als ik terugdenk aan mijn tijd op de muziekschool (alsof ik al jaren achter de geraniums zit en niet net vierentwintig geworden ben) en hoeveel mensen ik daar elke dag zag rondlopen met ideeën die weliswaar niet altijd even gepolijst, maar desalniettemin een product van hun identiteit en passie waren, en dan denk aan dat er misschien eerder gekozen zal worden voor een kopie dan een origineel idee, is best droevig.
Nogmaals, dit is totaal niet bedoeld om mensen die covers spelen te bashen, maar zodra je een replica-product in een creatieve markt brengt, vertroebelt dat de wateren die je betreedt. Ik hoop gewoon dat concertzalen in Nederland hun eigen identiteit en passie niet kwijtraken in het touwtjetrek tussen persoonlijke integriteit en communale noodzaak.
Gelukkig brandt er nog altijd een warm haardvuur aan Do-it-yourself venues door heel het land. Denk aan Hillyweird (Hilversum), Resistor (Leiden) en natuurlijk Poortgebouw (waar denk je zelf?). Knusse plekken als deze hebben oog voor wat er binnen en buiten hun stad gebeurt, waar de kwaliteit ligt en hoe dit te programmeren. Want of het nou te experimenteel is, of de act in kwestie nog heel wat meters moet maken, is hier bijzaak.
Vergeet dus niet om zo nu en dan je lokale grass-roots gig plek een bezoekje te brengen om eens even te neuzen wie er binnenkort in de Rotowns van her en der staat.

Quincy Fortes is een muzikant, producer en schrijver uit Rotterdam-Zuid, voornamelijk actief binnen de spookachtige post-rockband L’orne en hiernaast ook betrokken bij de acts Loveth Besamoh en Horse On The Ridge. Voor de Popunie schrijft Quincy columns over de lokale scene.
