22 april 2016
•
Columns
•
Redactie

Het is inmiddels een veelbesproken fenomeen: de festivals in Nederland schieten als paddenstoelen uit de grond. Volgens een recent onderzoek van EM Cultuur, een bedrijf dat onder meer AdresData beheert (een culturele database met meer dan 10.000 culturele organisatie), zijn er momenteel zo’n 1100 festivals in Nederland.
Noord-Holland heeft er bijvoorbeeld 96 en Flevoland ‘slechts’ 37 (maar daar hebben ze dan weer Lowlands). Het verwachte aantal bezoekers dit jaar in Nederland is 19 miljoen; in mei en juni vinden de meeste edities plaats; augustus is de drukste maand, en de meeste festivals zijn muziekfestivals (52% van het totaal), waarvan 81% een popmuziekfestival is.
Festivals zijn booming. Reden genoeg voor het muzikaal absurdistische cabaretduo – en graag geziene festivalgasten – Yentl en de Boer om een ode aan het festival te schrijven. De lofzang op het festival heet – heel droog – ‘Festival’ en begint zo:
Ik ben deze zomer elke dag naar een festival, festival gegaan
Wat een feest dat er tegenwoordig eindeloos veel festivals, festivals bestaan
Ik was een beetje bang dat het teveel zou zijn
Weken zonder douche en m’n rug doet pijn
Maar ik kon wel elke dag op een festival, festival, festival zijn.

Dan volgt een opsomming:
Sziget, Milkshake, Lowlands, gegeten op het Mañana festival
De week daarna staan twirken met de vader van Jamal
Nu ben ik niet meer welkom op het Turkse Kinderdans Festival, festival
Frietrock, Oerol, Stiltefestival
Maar Berenpop, ik zweer je, was het allerleukst van al
Er waren optredens van beren, gefrituurde berenbal
En beren aan de drank… en drugs… op het Berenfestival, festival.
Hoe tof zou dat zijn, naast het Dierenfestival in Brielle en de Zomerfeesten aan de IJssel in Dieren ook een Berenfestival! Maar die bestaat helaas alleen in de verbeelding van Yentl. Disclaimer!
Het roept de vraag op, waarom?
Waarom zoveel festivals? Daarvoor zijn een aantal verklaringen denkbaar, die van heel abstract tot meer concreet gaan. Allereerst een meer abstracte – en moeilijk toetsbare – verklaring, die teruggaat tot de oorsprong van het festival in het ‘premoderne’ religieuze ritueel. Zo hebben antropologen erop gewezen dat in veel premoderne culturen het festival een duidelijke ‘religieuze’ en tegelijk ‘morele’ functie had.
Tijdens het feestvieren werd namelijk niet alleen geofferd aan de goden, maar was er tevens sprake van een gemeenschapscultus. Tijdens het feestvieren synchroniseerden de breinen en harten van mensen, waardoor de orde binnen het kleinschalige samenlevingsverband opnieuw gedefinieerd kon worden, of zelfs – als daar aanleiding toe was – kon worden hersteld. In culturen die ‘voorbij goed en kwaad’ leefden, zou de kunst – en met name de meer ritmische muziek en dans – dus een dergelijke ‘ordeherstellende’ functie hebben gehad.
Er is een link denkbaar met de festivalcultus van vandaag: in tijden van individualisme en massale online communicatie zou er sprake kunnen zijn van een behoefte aan escapisme en (fysieke) gemeenschappelijkheid. Maar zoals ik al zei, een stelling die moeilijk toetsbaar is.
Meer concrete verklaringen voor de toenemende festivalisering moeten waarschijnlijk juist in de hoek van de digitalisering gezocht worden, met name in de opkomst van Web 2.0. Door nieuwe media is het namelijk niet alleen gemakkelijker geworden om zelf op relatief professioneel niveau muziek te maken en verspreiden, maar is het tevens gemakkelijker geworden om evenementen te organiseren en via Facebook en Twitter een netwerk van publiek op te bouwen.
Een verklaring voor het toenemende aantal festivals in Nederland moet dan niet gezocht worden in het feit dat de festivalervaring een fysieke tegenhanger is van digitalisering en individualiseirng, maar juist in het feit dat ‘het digitale’ en ‘het materiële’ elkaar versterken.
Net zoals het gemakkelijker geworden is om op basis van digitale software een ontwerp voor een zeefdruk t-shirt te maken, is het door Web 2.0 gemakkelijker geworden om een festival te organiseren.
Hoewel het DIY sausje dat over veel festivals gegoten wordt (denk aan het programmeren van akoestische folk muziek, het verlagen van het podium, het verkleinen van de barrière tussen muzikant en publiek, ambachtelijke ham- en vegaburgers met zelfgemaakte ketchup) dan natuurlijk weer wel een tegenhanger lijkt te zijn van het ‘anonieme’ en ‘commerciële’ dat inmiddels aan de grote festivals kleeft.
De ‘festivalband’
Een laatste mogelijk verklaring heeft eveneens met digitalisering te maken, maar moet in de hoek van het publiek en de media gezocht worden. Zo is er door de komst van meer toegankelijke software en door streaming websites als Spotify en Deezer inmiddels zoveel aanbod aan muziek dat consumenten door de bomen het bos niet meer zien, en er daardoor een toenemende behoefte aan ‘curatorship’ onstaat. Aan mensen die een interessante selectie maken uit de enorme bulk aan muziek en dat op een uitdagende manier presenteren.
Die behoefte is bijvoorbeeld zichtbaar in de opkomst en populariteit van multimediaplatforms als 3voor12 en Subbacultcha!, maar de lijn is zeker door te trekken naar de festivals, waar tevens door de programmeurs en curators uit een groot aanbod een selectie wordt gemaakt en er voor het publiek een aantrekkelijke line-up wordt samengesteld, die ook nog een op een fysieke plek te bewonderen is.
Een nadeel van de toenemende macht van de curator is dat er een format van de ‘festivalband’ dreigt te ontstaan, waardoor voor bands die het experiment aangaan er steeds minder ruimte op de festivals ontstaat. Maar misschien dat die dan hun eigen festival kunnen organiseren. Anders kunnen ze waarschijnlijk altijd nog wel terecht op het Berenfestival, festival, festival.
Wil je meer weten?
Kom dan op 29 april naar Music Talks #4, een muzikale talkshow georganiseerd door de Erasmus Universiteit Rotterdam, Grounds, Roodkapje Radicals en de Popunie. Met bijdragen van o.a. leden van De Likt, Ian Woodward (University of Southern Denmark) en Hajo Doorn (Worm). Presentatie en moderatie is in handen van Pauwke Berkers (EUR), Bhagyalakshmi Daga (EUR) en fotograaf Peter Koudstaal. Inclusief opredens van kunstenaar Peter Fengler en van DOOXS (indietronica).
Niels van Poecke