18 juli 2013
•
Columns
•
Leonor Jonker
Een paar weken geleden was ik bij het eerste van twee concerten van het New Yorkse punkicoon Patti Smith in Paradiso. De zaal was afgeladen, het publiek enthousiast en Smith even charismatisch als altijd. “It’s great to be back in Amsterdam”, glunderde ze.
Voor mij was het concert de perfecte afsluiter van tien dagen vakantie in New York: ik was in de ochtend aangekomen en vrijwel direct – na een paar uur slaap – doorgegaan naar Paradiso. Amper een dag nadat ik door de East Village had gestruind, waar postertjes op caféramen ‘Patti Smith Tributes’ aankondigden voor de toeristen, hoorde ik Smith zelf hits spelen als Dancing Barefoot, Because The Night en People Have The Power.
Ik was nog niet eerder in New York geweest, dus had daar vooral ongegeneerd de toerist uitgehangen. In tien dagen hebben we zoveel mogelijk gezien: de grote musea, Empire State Building, Central Park, met de ferry langs het Vrijheidsbeeld naar Staten Island… maar ook een heuse freakshow op Coney Island (de geweldige Sideshow by the Seashore) en talloze platenzaken en boekwinkels. Ondertussen probeerde ik me voor te stellen hoe de stad eruit moet hebben gezien in de jaren zeventig en tachtig, toen New York op de rand van faillissement stond en de stad werd geteisterd door misdaad en armoede. Dat was het New York waar Patti Smith voor het eerst optrad, broedplaats van glam, punk en no wave.
In de East Village was het niet zo moeilijk om de hippe cafeetjes en vintage winkeltjes weg te denken om een beeld van die tijd te krijgen. Onze uitvalsbasis was St. Mark’s Place, volgens de Lonely Planet een straat met winkeltjes, tattoo shops en cafeetjes ‘that haven’t changed much at all since the 1980s’. Voor de etalages van winkels als Search & Destroy en Trash & Vaudeville, lagen backpackers languit op de stoep met bordjes als ‘travelling & broke – anything helps’ en toen we op een ochtend ons hotel uitstapten, struikelden we bijna over een dronken zwerver. Als dit het opgeschoonde East Village is, bedreigd door ‘rapid-fire gentrification’, dan krijg je een idee van hoe het een paar decennia eerder moet zijn geweest.
Natuurlijk konden we het niet laten om een paar plekken op te zoeken die in elk boek over de New Yorkse underground van destijds worden genoemd, waaronder het Chelsea Hotel, waar Sid zijn Nancy om het leven bracht, Kerouac On The Road schreef, en Patti Smith samenwoonde met Robert Mapplethorpe, en voormalig CBGB’s, al wisten we dat er niets meer te zien zou zijn. De iconische luifel is vervangen door een zwart exemplaar, met in keurige witte letters de naam ‘Varvantos’: de club waar eens de Ramones hun debuut maakten is nu de flagstore van een prijzig kledingmerk. Binnen zijn de beplakte en beschreven muren intact gelaten, om het assortiment van verwassen kleren en grove laarzen een schijn van authenticiteit te geven.
Hotel Chelsea
Net terug uit New York, speelden al die indrukken door mijn hoofd tijdens het optreden van Patti Smith in Paradiso. Ik moest denken aan haar bekroonde memoires Just Kids, waarin ze de tijd beschrijft toen ze samenleefde met Robert Mapplethorpe in het New York van begin jaren zeventig, als twee jonge veelbelovende kunstenaars. Ze beschrijft daarin ook hoe ze op reis ging naar Parijs, in het voetspoor van haar helden Baudelaire en Gérard de Nerval.
Thuis van het optreden sloeg ik Just Kids open. Ik was van plan het voor mijn trip naar New York te herlezen en plekken te noteren om zelf een soortgelijke bedevaart te kunnen maken, maar daar was het niet van gekomen. Bladerend ontdek ik dat ik ongemerkt toch vaak in de voetsporen van de jonge Patti Smith heb gelopen. Ik heb toevallig Nathan’s gefotografeerd, Mapplethorpe’s favoriete snackbar op Coney Island, waar we naartoe zijn gereden met de F-train: een rit die Smith ook in Just Kids beschrijft, boeken gekocht in winkels waar zij heeft gewerkt, en rondgelopen in straten die genoemd worden in het boek, zoals St. Mark’s Place, een straat die een ‘thick psychedelic atmosphere’ had toen Smith er voor het eerst kwam.
Nathan’s Coney Island
De twintiger, die eens op zoek ging naar sporen van de Parijse avant-garde en haar stem nog moest vinden, is nu zelf een voorbeeld, onderdeel van het verhaal van de New Yorkse underground van de jaren zeventig. Na een luid meegezongen People Have The Power sloot ze haar concert in Paradiso af met een boodschap: “USE YOUR VOICE”. Zij deed het ook.
Leonor Jonker
Leonor Jonker is schrijver van het boek ‘No Future Nu’ (Lebowski Publishers, 2012). Ze organiseert regelmatig optredens voor punk acts als 999, The Members, John Cooper Clarke en Attila the Stockbroker. www.nofuture.nu.