Vraag: We hebben als band een videoclip bij een eigen song gemaakt. Deze hebben we op YouTube gezet. Een muziekzender wil de clip graag uitzenden. Wat moeten we regelen om hiervoor geld te ontvangen en hoe zit dat met de ISRC code (International Standard Recording Code)?
Om deze vraag te beantwoorden moeten we kijken welke rechten er in het spel zijn en welke collectieve beheersorganisaties daar geld voor uitkeren. In dit geval hebben we te maken met auteursrecht en naburig recht. Het auteursrecht ligt bij de makers van de muziek, tekst en de videobeelden. Het naburig recht heeft twee componenten, namelijk: 1) de rechten van de uitvoerders van de muziek en de videobeelden en 2) de rechten van de eigenaar(s) van de video- en geluidsopnamen; de producenten.
Alle geldstromen zijn gebaseerd op deze rechten. Om helderheid in deze ingewikkelde materie te brengen, volgt hieronder een overzicht van de geldstromen:
– Auteursrechten: BUMA voor tekstschrijvers en componisten. Voor videomakers is er geen collectieve beheersorganisatie die toestemming geeft voor gebruik tegen betaling van een licentiefee. Videomakers moeten dus zelf met gebruikers, zoals omroepen en internetondernemers, een deal sluiten. In de praktijk betekent dit dat je er niets voor krijgt. Vooral bij de omroepen is dat aan de orde. Die bieden je een zogenaamde ‘quitclaim’ aan. Daarmee krijgen ze het recht de video voor niets uit te zenden. De achterliggende gedachte daarbij is dat je blij mag zijn met de gratis promotie.
– Naburig recht van de uitvoerders: het gaat hier om muzikanten en acteurs. Voor muzikanten is er Sena. Daarbij is vereist dat de geluidsopname ook als zogenaamde commercieel fonogram is uitgebracht. Dat kan op cd zijn maar ook bijvoorbeeld als betaalde download. Is dat het geval dan kun je van Sena een vergoeding verwachten. Dit geldt echter niet voor de videoclipzenders.
– Naburig recht van de producenten: voor audio is er Sena Producenten. Wat hierboven bij uitvoerders staat, geldt ook bij deze organisatie. Voor videoproducenten is geen collectief naburige rechtenloket. Zij moeten voor dit recht ook zelf onderhandelen met de omroep, en je raadt het al: of je de quitclaim even wilt tekenen…
Er is voor de uitvoerende en producenten wel de mogelijkheid om een thuiskopie- en leenrechtvergoeding te claimen. Voor uitvoerende muzikanten en acteurs is dat bij NORMA, voor producenten gaat dat via STAP, een dochter van de NVPI. Omdat STAP uitkeert naar rato van de jaaromzet van een producent zal daar voor jullie weinig te halen zijn, vrees ik.
Omdat jullie als band alle bovenstaande rechten zelf beheren, moeten jullie dus aankloppen bij BUMA, Sena, NORMA en STAP. Aansluiten bij BUMA kost geld. Het hangt dus van de te verwachten vergoedingen af of het zin heeft om je aan te sluiten. Daarnaast heeft aansluiting bij BUMA andere nadelen. Omdat je de exploitatierechten overdraagt, kun je niet meer zelf bepalen wat je met je muziek wilt doen. Dit kan vooral bij internetexploitatie een barrière zijn. BUMA heeft daar wel regelingen voor maar het blijft een belemmering voor vooral beginnende bands die via internet hun muziek gratis ter promotie aan willen bieden.
De ISRC-code voor audio en audiovisueel vraag je gratis aan bij Sena. Je krijgt dan een unieke stamcode waarmee je per jaar 100.0000 tracks kunt coderen. Let op: voor audio gebruik je een andere code dan voor audiovisueel! Ook als het om dezelfde muziekopnamen gaat.
De Ntb (Nederlandse Toonkunstenaarsbond), opgericht in 1919, is de grootste en oudste belangenorganisatie voor musici, acteurs en dansers in Nederland. In de loop der jaren kregen zij per brief, fax, mail of gewoon face to face veel vragen rond het werken in de studio en het produceren en exploiteren van een (eigen beheer-) cd. Omdat veel van de gestelde vragen steeds weer terugkomen en dus bij meerdere muzikanten leven, is deze vraag & antwoordrubriek samen met de Popunie opgezet.
Voor meer informatie over de Ntb, dé vakbond voor musici, producers en dj’s, kijk je op ntb.nl.
Dit artikel heeft de Popunie voor het eerst gepubliceerd in april 2012.