Mixtape in Rotown: Bouncen, glijden, moshpitten en housen met Cusack

mixtapevierkantElke donderdag draait in Rotown een Rotterdamse band de plaatjes die zij tof vinden (om op te dansen!) tijdens Mixtape. Wij laten deze bands hun publiek alvast warm draaien in een speciale column. Deze week is het de beurt aan Cusack.

Cusack is een Rotterdams trio bestaande uit Marc op de drums, Bart op de bas en Daanie op gitaar & vocals. Zelf maken we dreampunk en worden we beïnvloed door bands als Shellac, The Melvins, Savages, Warpaint, The Mars Volta en Gentle Giant.

Deze komen zeker langs tijdens Mixtape, maar omdat we na rapper Donnie draaien, leek het ons wijs om in ieder geval het eerste deel van de dj-set daarop aan te sluiten. Dus bereid je voor om te bouncen, te glijden, te moshpitten en te housen.

Allereerst is Bart aan de beurt om wat voorbeelden te geven:

Ghostface Killah – How You Like Me Baby

Wu Tang lid. Legend. Simpele droge beats met gritty raps. Ik heb geen idee waar Ghostface het allemaal over heeft maar ik voel hem gewoon. Ghostface werd door de critici geprezen voor zijn solo-albums en dat is wat mij betreft erg terecht. En voor de jeugd die aanwezig is, is het ook een beetje hiphop-opvoeding.

Joey Bada$$ – On & On (ft. Maverick Sabre & Dymeond Lewis)
Emotionele hiphop van nu met een gruwelijke flow. Ik ken deze muziek nog niet zo lang. Hiphop van nu vind ik over het algemeen niet zo boeiend, maar met artiesten als Kendrick Lamar en Joey Bada$$ heb ik het gevoel dat er toch nog hoop is. De man met de dollartekens in zijn naam is trouwens naast rapper ook nog acteur, te zien in Mr. Robot.

Dit zijn Marc z’n knallers:

Kate Tempest – Marshall Law
Omdat ze met alles wat ze in zich heeft muziek maakt en ze echt wat te zeggen heeft. Ze spit gedichten over durven leven. Ze heeft een vette flow en een te gekke band.

The Melvins – If I had An Exorcism
Terwijl alle bands elkaar begin jaren 80 probeerden te overtreffen qua snel gitaarspel, besloten The Melvins om harde logge drone sludge metal te spelen. Die dwarse houding hebben ze vandaag nog steeds waardoor hun muziek relevant blijft.

En dan Daanie:

Princess Nokia – Tomboy
Het is hiphop, het is grime, het is rave, het is r&b, het is alles. Deze afro-latina uit the Bronx heeft een sterke boodschap over emancipatie en acceptatie van de jonge zwarte vrouw.

Priests – Pink White House
De punkerts Priests gaan op hun nieuwe album Nothing Feels Natural alle kanten op. Van surf gitaren naar funk, dan naar indiepop en dan weer een beetje jazz. Love it. En ik wil een pink White House.

Dat was het. We hopen jullie allemaal 2 maart te zien in Rotown! Na Donnie. Hij is heel hip.

xxx Bart, Marc & Daanie

Extra informatie
Datum: donderdag 2 maart
Locatie: Rotown, Nieuwe Binnenweg 17-19
Aanvang: 22.00 uur
Entree: gratis
Facebook event

Interview: Julian Schaap – onderzoeker van de witte mannelijke dominantie in rock

16300328_1308600142533427_1608719098488658442_o

Hoe verraadt muzieksmaak je huidskleur? Als cultureel socioloog is Julian Schaap verbonden aan de Erasmus Universiteit. Met zijn promotieonderzoek Has Elvis Finally Left The Building? – witheid en mannelijke dominantie in rock heeft Schaap van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) een vijfjarige beurs ontvangen om zich verder te focussen en verdiepen op zijn reeds bejubelde onderzoek, dat hij nu binnen anderhalf jaar zal afronden. Onze reporter Annet bezocht op 6 februari een lezing van Julian Schaap tijdens Onderzoek in Zicht bij de Boekmanstichting om meer te weten te komen over dit interessante onderzoek en doet verslag. Bovendien interviewde ze Julian en vroeg o.a. naar de achtergrond van deze Rotterdamse wetenschapper en een update over zijn onderzoek(en)… 

Naast wetenschapper is Julian muzikant. Hij was tussen 2005 en 2015 bassist bij deathmetal band Sepiroth, waarmee hij Nederlandse zalen platspeelde, internationaal toerde en tot twee keer toe in Indonesië op een groot podium heeft gestaan. Nu zijn behoefte aan muzikale boosheid en fysieke kicks minder domineren, speelt hij bas en zingt bij Video Store; een punk rock/jaren ’80 Chapel Hill-style band met Aart Steekelenburg, Martijn Eikenhout, Jeroen Kulk en Harm Haverman. Eind januari verzorgde Video Store nog het voorprogramma van Beach Slang in Rotown. Verder is Schaap medeoprichter van het Rotterdamse muziekdebat-platform Music Talks.

De kolonisatie van rock
Julian onderzoekt waarom muzikanten en bezoekers in de rockscene voornamelijk wit en mannelijk zijn. Hij stelde zich vooraf de vraag: “Hoe kan het dat de in de jaren ’50 ontstane rockmuziek, van origine gecomponeerd en gespeeld door ‘zwarte muzikanten’, sinds de komst van Elvis is witgewassen en is toegeëigend door voornamelijk blanke mannen als ‘hun’ muziekgenre?”

Hoe komt het dat na 60 jaar de bands en bezoekers nog steeds worden gedomineerd door de ‘witman’? En waarom is deze rockcultuur zo gekolonialiseerd door blanken, dat bijv. Little Richard, Sister Rosetta Tharpe en Chuck Berry niet gezien worden als grondleggers van dit genre, maar bijv. Elvis, The Rolling Stones, The Beatles wel? In Nederland stond volgens velen Golden Earring(s) aan de rock-wieg, terwijl de Tielman Brothers (voorheen The Timor Rhythm Brothers) hen toch echt voorgingen, en waarschijnlijk zelfs Golden Earring(s) hebben beïnvloed.

De witte mannelijke dominantie in rock
Julian onderzoekt dit op meerdere niveaus, met name in Nederland en in Amerika (Atlanta). Op niveau 1 analyseert hij de kritische ontvangst; hoe recensenten schrijven over rock in gerenommeerde bladen (Rolling Stone, OOR, etc.). Daarvoor bestudeerde Julian 400 recensies uit de periode 2003-2013 in Nederland en Amerika.

Uit die recensies is gebleken dat als je een niet-wit bandlid hebt, of de hele band uit niet-witte bandleden bestaat, dan scoort de beoordeling van de band vier punten lager op een schaal van 100 in de recensie. Gaat het om een beoordeling van een album, dan is de beoordeling structureel lager. Verder wordt in de tekst zelf impliciet (niet expliciet) verwezen naar de etniciteit. En er blijken meer ongelijkmatige vergelijkingen gemaakt te worden bijv. Lenny Gravitz met Jimi Hendrix, terwijl er muzikaal en qua genre geen raakvlakken zijn (enige overeenkomst: zwarte man met gitaar). Tevens wordt vaak gesproken over hiphop-, soul- of funkinvloeden in de muziek (niet-witte artiesten worden vaker in die hoeken gedrukt, dan witte).

Op niveau 2 onderzoekt Julian hoe fans de witte rockbands ontvangen. Witte fans zeggen dat bandleden heel goed zijn, dat ze toegankelijk zijn voor iedereen. Niet-witte fans in het publiek wordt regelmatig gevraagd of ze ook van hiphop houden, en hoe ze hier terecht zijn gekomen. Deze vragen gaan impliciet over hun huidskleur en niet over hun muzieksmaak. Niet-witte fans ervaren dat ze harder moeten werken om te laten zien dat ze hier thuis horen, bandshirts worden daarbij gebruikt als uniform om wat minder op te vallen. Ook vanuit eigen thuisgemeenschap wordt hun fanschap zoveel mogelijk gemarginaliseerd (wat moet jij nou met die muziek?).

Op niveau 3 keek Julian, middels een psychologische test bij bezoekers van rockconcerten, hoe de associaties over wit/niet-witheid in mensen hun hoofden zit. Hij nam woorden uit rock- en hiphop-lyrics, printte ze uit en liet concertgangers de woorden onder het kopje wit of niet-wit leggen. Bij een random volgorde bleek dit moeilijk te zijn. Aan de hand van foto’s van witte, niet-witte, mannelijke en vrouwelijke muzikanten liet hij concertgangers de muzikanten, voor hen soms ook onbekenden, ‘ranken’. Witte rockscene fans verkozen de blanke mannelijke muzikanten boven de muzikanten van andere etniciteit en gender.

16602332_1315901385136636_7732397956069594833_o

Foto: Erwin van Delden


Uit wat voor ‘nest’ komt de onderzoeker Schaap?

“Mijn vader werkt veertig jaar op het Rotterdams Conservatorium en is jazz-componist, -muzikant en -docent, en heeft lang voor het Jazz Orchestra gestaan en in het Metropole Orkest gezeten. Moeder en zus beleven muziek niet op de ‘fan-manier’. Mijn vader en ik hebben meer raakvlakken. Hij is breed geïnteresseerd. Toen ik meer van metal bleek te houden, luisterde hij mee en nam het serieus. Hij liet jazz-drummers in opleiding mee drummen op Meshuggah. Uit mijn jeugd herinner ik me de rokerige concerten in het Doelen Café; een interessante scene, maar niet helemaal het genre voor mij.”

Lee Towers en Herman Brood
“Als jong kind mocht ik ook een keer mee naar een Lee Towers concert, waarbij mijn vader als muzikant in de orkestbak belandde. Er zou een kanon worden afgeschoten, maar voor het zover was, ben ik in slaap gevallen. Daar ben ik wekenlang boos om geweest. Later ontdekte ik ook dat mijn vader met Herman Brood heeft samengespeeld op een plaat. Mijn vader werd daarvoor uitbetaald in coke. Mijn vader vroeg zich af wat hij met coke moest, hij had twee kinderen te voeden. Waarop Brood zei: “Dan verkoop je het toch gewoon door.”

Van Lion King naar Gabber
“Muziek en afzetten zijn voor mij heel goed samen gegaan. In 1997, ik was acht en ontdekte gabber. Dat was de eerste muziek waarbij ik me thuisvoelde na de soundtrack van de Lion King. Voor het eerst ervaarde ik het fysieke gevoel dat je kan hebben bij muziek. Het is stoer van muziek te houden die eigenlijk niet kon, en wat jou positioneerde tegenover de rest van de wereld; het gevoel van rebellie, van tegen de mainstream ingaan. Als je ouder wordt blijkt dat ook wel mee te vallen. De muziek was energiek, waar ik van hou en tegelijk de aversie van de rest, die combinatie van factoren is magisch. Achteraf denk ik dat daar sociologie en muziek voor het eerst samen zijn gekomen.”

Hoe ging je ‘in de metal(en)’?
“Vrij natuurlijk, voortvloeiend uit de gabber, ontstond mijn passie voor metal. Op mijn twaalfde, dat is meestal de leeftijd waarop je een muzikale smaak gaat ontwikkelen, gingen mijn ouders uit elkaar. Punkrock (Sum 41, Blink 182) en metal brachten daarbij de gewenste olie op het vuur. Metal hoorde ik bij mijn leraar Duits. Als muzikant (gitaar en bas) ben ik altijd heel erg ritmisch gefocust geweest. Dat in deathmetal de melodie er niets toe doet, dat vond ik het allermooist. Ik houd niet van orkestraal en solo’s spelen.”

Je bent een multi-instrumentalist?
“Ooit begonnen als drummer, maar toen ik gabber ging luisteren, hoorde ik daarbij geen drumstel. Dus toen ik in de ban van punk en metal raakte, heb ik een gitaar gekregen.”

Sepiroth_Indonesie_foto Arie de Graaf

Sepiroth live in Indonesië. Foto: Arie de Graaf

Uiteindelijk switchte je in 2015 van Sepiroth naar Video Store. Wat was de reden?
“Mijn muziekmakerij heb ik nooit als een carrière beschouwd. Op het moment dat ik het ‘witte mannen dominantie in rock-onderzoek’ begon, merkte ik dat ik het spelen, los van de bandleden van Sepiroth, zat begon te worden; ik kreeg geen energie meer door het spelen en evenmin van de sociale interactie met publiek. Rotterdam, met name Baroeg, bleef erg leuk om in op te treden. Maar stond ik in een zaal in een kleiner dorp, dan wist ik dat met driekwart van de bezoekers een gesprek niet verder zou komen dan ‘tieten’ en ‘Slayer’ roepen en bier zuipen. Op die momenten was ik er klaar mee. En hoe mooi is het, dat nu ik ook de metal bestudeer op witte mannen dominantie, mijn plaats in Sepiroth is ingenomen door Sonia Nusselder.

Kort na mijn vertrek, kreeg ik een zoon, en benaderde Aart Steekelenburg mij als bassist voor Video Store. Dat rebellerende, dat het allemaal boos en hard moet zijn, neemt af nu ik een zoon heb en wat ouder ben. Boosheid en opgekropte emotie kan ik inmiddels ook genuanceerder vertolken, in een band als Video Store, zonder dat de emotie aan kracht verliest; het raakt dezelfde snaar (zo ook garagerockers als Beach Slang en Cloud Nothings).

De overgang van Sepiroth naar Video Store is goed geweest. Ik heb het spelen nodig. Zeker nu ik zo gefocust bestudeer. Dit is voor het eerst dat ik mijn werk als wetenschapper en muziek combineer. Daarvoor had ik altijd het gevoel het naast elkaar te doen.”

Je noemde een tweede onderzoek? Vertel hier eens wat meer over?
“In augustus 2017 verwachten Pauwke Berkers en ik over Genderongelijkheid in metal een boek uit te brengen, op verzoek van de uitgever. In dat boek combineren we globale onderzoeksdata (vanuit heel de wereld) met die uit de metal, van 1970 tot nu. We bekijken een paar patronen in landen waar meer en minder genderongelijkheid is, of dat dan ook sterker is in die metalscene of niet.

Er bestaan reeds nationale genderkwaliteitsindexen. Hierin kun je zien hoeveel genderongelijkheid er heerst per land, weergegeven in schalen die je wereldwijd kunt vergelijken. Dan kunnen we onze onderzoekgegevens vergaart in de metalscene, leggen naast deze genderindex en vergelijken. Of er, en wat de verschillen zijn tussen Nederland, Duitsland en Finland met landen waar de metal relatief pril een reguliere stroming is. In de lift zitten nu Argentinië en Chili. We bekijken of er historisch en door de jaren heen veranderingen hebben plaatsgevonden.

Dat blijkt niet zo te zijn, die 2 à 3 procent van vrouwen in metalbands is vrij stabiel. We kijken wat voor rol die vrouwen spelen in metal, en merken dat vrouwen zich vaak bewust zijn van die dubbele rol die ze hebben. Aan de ene kant worden ze op waarde beoordeeld, en meer geobjectiveerd. Ze moeten harder hun best doen om te laten zien dat ze het kunnen. Aan de andere kant zeggen vrouwen hun seksualiteit wel te kunnen gebruiken; het zorgt ervoor dat er meer mensen op afkomen, omdat bezoekers het interessant vinden en nieuwsgierig zijn. Dat zag je ook bij de opkomst bij bands als Arch Enemy. Mensen gaan uit interesse kijken of dat het ‘blonde vrouwtje’ echt zo’n groot vocaal bereik heeft. Dat noemen we een ‘double edge sword theory’.

Mannen ontkennen dat het voor vrouwen moeilijker is, mannen zijn er eerder gefrustreerd over dat vrouwen in metal meer aandacht krijgen. Waarom kan die aandacht die vrouwelijke bandleden krijgen, niet een positievere aandacht zijn? Deze studie raakt mijn proefschrift wel. Maar dit is een side project wat uit de hand lijkt te lopen, zeker nu de vraag er ligt om er een boek over te publiceren.”

Qua studie ging je van Social Work via Geschiedenis naar Culturele Sociologie; waarom?
“Na een jaar Social Work te hebben gestudeerd, ben ik aan de studie Geschiedenis begonnen. Pas tijdens een master ben ik bij Cultuur Sociologie terecht gekomen en steeds meer geïnteresseerd geraakt in deze wetenschap. Ik werd me bewust dat er mogelijkheden waren om muziek vanuit een ander perspectief te bestuderen, mede omdat muziek zo betekenisgevend is voor mensen.

Ik hield me ook al bezig met religie. Van daaruit werd ik steeds nieuwsgieriger hoe mensen hun dagelijkse leven vullen met betekenis en waar dit fout gaat. Daarbij kwam sociale ongelijkheid aan het licht en ineens zag ik in hoe genderongelijkheid in metal blijft voortbestaan, evenals rockmuziek en de rassenongelijkheid. Dus ineens vonden die twee zaken elkaar op mysterieuze wijze weer.”

Er zijn – ook in Rotterdam – festivals en podia waar een voornamelijk wit publiek op afkomt. Gelukkig zijn er ook genoeg plaatsen waar etniciteit en gender er minder toe doet. Maar wat kun je bij programmeurs initiëren om de overwegend witte festivals en zalen, qua samenstelling van muzikanten en publiek, meer divers te maken…

Hoe denk jij dat je publieksdiversiteit in de zalen en op de podia kunt verbeteren?
“Het belangrijkste is dat je dit van tevoren niet kan bedenken. Je zet een bepaald muziekgenre neer, omdat het je aanspreekt. Pas als jouw poppodium of festival loopt kun je kijken wat je hebt gecreëerd, qua wat er op de optredens afkomt en waar je op kan inspelen. Zeggen dat je alles divers gaat maken werkt niet.

Boek bij overwegend witte zalen en festivals doelbewust muzikanten van diverse etniciteit en gender, pas dan zal je publiek ook meer divers worden. Begin met een kwart vrouwelijk en niet-blank te programmeren en kijk wat er gebeurd. Zoek ook qua programmering de randen van het door jou gekozen muziekgenre. Waar acts meer worden gecombineerd zie je een meer divers publiek. Die elkaar aankijken, en het dan ook tof vinden om dit moment met elkaar te beleven.

Meestal werkt dit wel, en als het eenmaal in ontwikkeling is moet je hiermee blijven spelen. Niet ervan uitgaande dat een succesformule voort blijft duren. Je zal je programmering altijd levendig moeten houden en onverwachte stromingen in moeten brengen.”

Tenslotte, wat te doen met de duidelijke onderzoeksresultaten?
“Als socioloog neem ik afstand van het activisme, om het onderzoek goed en zuiver te houden. Wetenschappers die zich met soortgelijke onderzoek bezighouden, en dit doen uit een activisme vind ik noemenswaardig en mooi. Maar ik denk niet dat activisme onderzoek beter maakt. Ik vraag me af of activistische onderzoekers, als zij tegengestelde resultaten vinden, zij die ook gaan noemen in hun onderzoeksresultaten.

Het onderzoek naar ras- en genderongelijkheid in de rock is klaar in oktober 2018. Dan vindt de promotie en ceremonie plaats en verschijnt ook mijn boek. Dat is het moment waarop mensen op het onderzoek kunnen reageren en mij kunnen bevragen hierover.”

Vanaf dan is het moment voor gemeente, programmeurs en festivalorganisatoren om de onderzoeksresultaten door te nemen en Julian om advies te vragen, hoe zij in de praktijk kunnen anticiperen om ongelijkheid te reduceren en tegen te gaan.

Julian: “Als socioloog en wetenschapper probeer ik wel afstand te houden en tegen mijn gesprekspartners te zeggen; Dit is mijn onderzoek, kijk ernaar en als je het interessant vindt dan kan je hier beleid op baseren. Aangezien ik zelf geen beleidsmaker ben, vind ik het lastig te zeggen wat ze zouden moeten doen. Het enige wat ik kan is erover meedenken, als mens, niet als activist, want als wetenschapper zal ik altijd objectief blijven. Binnen mijn onderzoek heb ik de luxe als witte man dit onderzoek te kunnen doen. Mensen kun je beter overtuigen met goed onderzoek, dan met een boodschap.”

Misschien is dit wel dé boodschap die we moeten gebruiken voor a.s. verkiezingscampagnes; beleid en politici kiezen op feitenkennis en de wil om die te vergaren, en niet op verkondigde boodschappen.

Sepiroth Live @ Baroeg 2011

Video Store – The Second Ellis